Hoe bouw je een enquête op?
De volgorde van de vragen beïnvloedt de antwoorden. Een beproefde opbouw:
- Selectie. Met een screener bepaal je wie bij de doelgroep hoort. Kenmerken die je voor quota nodig hebt, zoals leeftijd en provincie, vraag je hier.
- De categorie. Algemene vragen over gedrag en behoeften, nog zonder merknamen te noemen.
- Merken en ervaringen. Bekendheid, gebruik, tevredenheid en imago.
- Prijs en nieuwe ideeën. Pas als de respondent de categorie scherp voor ogen heeft.
- Achtergrond. Gevoelige kenmerken zoals inkomen of opleiding aan het eind, als de respondent al betrokken is.
Houd een consumentenenquête bij voorkeur onder de tien minuten; met de tool voor enquêtelengte reken je uit hoe lang de jouwe duurt. Online afnemen is in Nederland vanzelfsprekend: volgens Eurostat gebruikte in 2025 98,4% van de Nederlanders tussen 16 en 74 jaar dagelijks internet.
Dagelijks online zijn is nog niet hetzelfde als vertegenwoordigd zijn in een panel. Panelleden zijn mensen die zich zelf hebben aangemeld, en 75-plussers vallen buiten de Eurostat-cijfers. Werk daarom met quota en weging naar de bevolkingsverdeling van het CBS.
Selectie- en profielvragen (1–10)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 1 | Wat is je leeftijd? | Getal, later in te delen in klassen |
| 2 | In welke provincie woon je? | Lijst met de twaalf provincies |
| 3 | Wie beslist in jouw huishouden meestal over de aankoop van [categorie]? | Ik / samen met iemand / iemand anders |
| 4 | Heb je in de afgelopen zes maanden [product] gekocht? | Ja / nee / weet ik niet meer |
| 5 | Werk jij of werkt iemand in je huishouden in marketing, marktonderzoek of [branche]? | Ja / nee (bij ja: einde enquête) |
| 6 | Welke omschrijving past het best bij je huishouden? | Alleenstaand / samen zonder kinderen / met thuiswonende kinderen / anders |
| 7 | Wat is je hoogst voltooide opleiding? | Lijst volgens de CBS-indeling |
| 8 | Welke situatie past het best bij jou? | Werkend / zelfstandig / studerend / gepensioneerd / anders |
| 9 | Hoeveel mensen werken er in jouw organisatie? (B2B) | Klassen, bijvoorbeeld 1–9, 10–49, 50–249, 250 of meer |
| 10 | Wat is jouw rol bij de aanschaf van [dienst]? (B2B) | Ik beslis / ik adviseer / ik gebruik / geen rol |
Vragen over koop- en gebruiksgedrag (11–20)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 11 | Hoe vaak koop je [categorie]? | Wekelijks / maandelijks / een paar keer per jaar / minder vaak |
| 12 | Wanneer heb je voor het laatst [product] gekocht? | Deze week / deze maand / dit jaar / langer geleden |
| 13 | Waar heb je dat gekocht? | Lijst met winkels en webshops plus "anders, namelijk" |
| 14 | Hoeveel heb je de laatste keer ongeveer uitgegeven? | Open getal of bedragklassen |
| 15 | Voor wie was die aankoop bedoeld? | Mezelf / mijn huishouden / als cadeau / voor mijn werk |
| 16 | Hoe ben je op het idee gekomen om [product] te kopen? | Lijst: advertentie, aanbeveling, zoekmachine, winkel, sociale media |
| 17 | Welke informatie heb je vooraf opgezocht? | Meerdere antwoorden mogelijk |
| 18 | Hoe belangrijk zijn de volgende punten bij je keuze? | Matrix met een 5-puntsschaal per punt |
| 19 | Wat was de belangrijkste reden om voor deze aanbieder te kiezen? | Open |
| 20 | Was er iets wat je bijna had tegengehouden om te kopen? | Open |
Combineer een vraag naar de gewoonte (11) met een vraag naar de laatste keer (12). Een concrete aankoop in een afgebakende periode is beter te herinneren, terwijl mensen hun gewoonten vaak rooskleuriger inschatten dan ze zijn.
Vragen over merk en concurrentie (21–28)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 21 | Welke merken van [categorie] ken je, al is het maar van naam? | Open (spontane bekendheid) |
| 22 | Welke van de volgende merken ken je, al is het maar van naam? | Lijst (geholpen bekendheid) |
| 23 | Welke van deze merken heb je het afgelopen jaar gekocht? | Lijst, meerdere antwoorden |
| 24 | Welk merk koop je het vaakst? | Eén antwoord |
| 25 | Welke merken zou je de volgende keer overwegen? | Lijst, meerdere antwoorden |
| 26 | In hoeverre passen deze omschrijvingen bij [merk]? | Matrix: betrouwbaar, vernieuwend, voordelig, duurzaam |
| 27 | Als [merk] een persoon was, hoe zou je die omschrijven? | Open |
| 28 | Waarin verschilt [merk] volgens jou van [concurrent]? | Open |
Stel vraag 21 altijd vóór elke vraag waarin merknamen staan. Wie eerst een lijst heeft gezien, kan de spontane vraag niet meer onbevangen beantwoorden.
Vragen over tevredenheid en loyaliteit (29–36)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 29 | Hoe tevreden ben je over je laatste aankoop bij [bedrijf]? | 5-puntsschaal van zeer ontevreden tot zeer tevreden (CSAT) |
| 30 | Hoe waarschijnlijk is het dat je [bedrijf] zou aanbevelen aan vrienden of collega's? | 0–10 (NPS) |
| 31 | Wat is de belangrijkste reden voor je score? | Open |
| 32 | In hoeverre ben je het eens met: "[bedrijf] maakte het me makkelijk om mijn vraag af te handelen"? | 7-puntsschaal van helemaal oneens tot helemaal eens (CES) |
| 33 | Hoe tevreden ben je over de volgende onderdelen? | Matrix: levering, communicatie, kwaliteit, service |
| 34 | Ben je het afgelopen jaar een probleem tegengekomen bij [bedrijf]? | Ja / nee |
| 35 | Hoe tevreden ben je over de manier waarop dat probleem is opgelost? | 5-puntsschaal plus "nog niet opgelost" |
| 36 | Hoe waarschijnlijk is het dat je het komende jaar weer bij [bedrijf] koopt? | 5-puntsschaal |
Vraag 30 en 31 vormen samen de NPS-meting; de score bereken je met de NPS-calculator. Hoe je zulke metingen opzet en volgt in de tijd, lees je bij klanttevredenheidsonderzoek.
Vragen over prijs (37–42)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 37 | Bij welke prijs vind je [product] zo goedkoop dat je aan de kwaliteit gaat twijfelen? | Bedrag |
| 38 | Bij welke prijs vind je [product] een goede koop? | Bedrag |
| 39 | Bij welke prijs begint [product] duur te worden, maar zou je het nog overwegen? | Bedrag |
| 40 | Bij welke prijs is [product] zo duur dat je het niet meer koopt? | Bedrag |
| 41 | Zou je [product] kopen voor [prijs]? | Zeker wel / waarschijnlijk wel / waarschijnlijk niet / zeker niet |
| 42 | Welke van deze drie varianten zou je kiezen? | Keuzetaak met wisselende kenmerken en prijzen |
Vraag 37 tot en met 40 vormen samen de Van Westendorp-methode. Bij vraag 41 krijgt de respondent achtereenvolgens prijzen uit een vooraf bepaalde reeks te zien (Gabor-Granger), en vraag 42 is een eenvoudige vorm van conjointanalyse. Voor beslissingen over je prijsstelling is een volledig prijsonderzoek betrouwbaarder dan één losse vraag.
Vragen over nieuwe producten en concepten (43–50)
| Nr. | Vraag | Antwoordvorm |
|---|---|---|
| 43 | Wat is je eerste reactie op dit idee? | Open |
| 44 | Hoe waarschijnlijk is het dat je dit product koopt als het te koop is? | 5-puntsschaal van zeker niet tot zeker wel |
| 45 | Hoe nieuw of anders vind je dit product vergeleken met wat er nu te koop is? | 5-puntsschaal |
| 46 | Hoe geloofwaardig vind je wat dit product belooft? | 5-puntsschaal |
| 47 | Wat spreekt je het meest aan? | Open |
| 48 | Wat spreekt je het minst aan, of wat roept vragen op? | Open |
| 49 | Wat zou je niet meer kopen als je dit product koopt? | Lijst plus "anders, namelijk" |
| 50 | Bij welke gelegenheid zou je dit product gebruiken? | Open |
Laat in een concepttest elke respondent maar één concept beoordelen, of wissel de volgorde. Wie drie ideeën achter elkaar ziet, vergelijkt ze met elkaar in plaats van met wat er al in de winkel ligt.
Welke antwoordschaal kies je?
| Schaal | Voorbeeld | Geschikt voor |
|---|---|---|
| Likertschaal | Helemaal oneens … helemaal eens | Meningen over stellingen |
| 0–10-schaal | Aanbevelingsvraag | NPS en vergelijking met eerdere metingen |
| Semantisch differentieel | Ouderwets 1–7 modern | Merkimago op tegengestelde eigenschappen |
| Rangorde | Zet in volgorde van belang | Een top drie zonder dat alles "belangrijk" scoort |
| MaxDiff | Kies het meest en minst belangrijke uit vier opties | Prioriteiten tussen veel kenmerken |
| Ja/nee | Heb je … gekocht? | Feiten en filtervragen |
| Open vraag | Waarom heb je gekozen voor …? | Motieven en de taal van klanten |
Houd de richting van een schaal in de hele vragenlijst gelijk, bijvoorbeeld altijd negatief links en positief rechts. Bied "weet niet" aan als dat een reëel antwoord is, en kies een oneven aantal punten als een neutraal midden zinvol is.
Hoe herken je een slechte vraag?
| Slechte vraag | Probleem | Betere vraag |
|---|---|---|
| Vind je ook niet dat onze service snel is? | Sturend | Hoe beoordeel je de snelheid van onze service? |
| Hoe tevreden ben je over de prijs en de kwaliteit? | Twee vragen in één | Splits in een vraag over de prijs en een over de kwaliteit |
| Hoe vaak gebruik je onze omnichannelservice? | Jargon | Hoe vaak bestel je online en haal je op in de winkel? |
| Koop je regelmatig biologisch? | "Regelmatig" is voor iedereen anders | Hoe vaak heb je de afgelopen maand biologische producten gekocht? |
| Leeftijd: 18–25, 25–35, 35–45 | Overlappende klassen | 18–24, 25–34, 35–44 |
| Zou je dit product ooit kopen? | Te vrijblijvend, overschat de interesse | Hoe waarschijnlijk is het dat je dit product de komende drie maanden koopt? |
| Ben je het niet oneens met deze stelling? | Dubbele ontkenning | Positief geformuleerde stelling |
Hoeveel ingevulde vragenlijsten je nodig hebt, lees je in steekproefgrootte berekenen. Wil je je vragenlijst laten controleren of het hele enquêteonderzoek uitbesteden, beschrijf je doel en doelgroep dan in het offerteformulier.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen mag een enquête hebben?
Er is geen vast maximum; de invultijd telt. Voor consumenten is tien minuten een goede bovengrens, voor zakelijke respondenten iets meer als het onderwerp hen raakt. Een matrixvraag met acht stellingen kost veel meer tijd dan een ja/nee-vraag. Schrap elke vraag waarvan je niet weet wat je met het antwoord gaat doen.
Wanneer kies je een open en wanneer een gesloten vraag?
Een gesloten vraag kies je als je de mogelijke antwoorden kent en wilt tellen hoe vaak ze voorkomen. Een open vraag kies je als je de antwoorden nog niet kent of de woorden van de klant wilt horen. Gebruik open vragen spaarzaam: ze vragen meer moeite van respondenten en moeten achteraf worden gecodeerd.
Moet een enquête anoniem zijn?
Niet per se, maar respondenten moeten vooraf weten wat er met hun antwoorden gebeurt. Vraag je om naam of e-mailadres, bijvoorbeeld voor een terugbelverzoek, maak dat dan een aparte en vrijwillige vraag aan het eind. Rapporteer antwoorden altijd op groepsniveau. Persoonsgegevens verwerk je volgens de AVG en bewaar je niet langer dan nodig.
Mag ik deze voorbeeldvragen letterlijk overnemen?
Ja, gebruik ze gerust als basis. Pas ze wel aan je product, je doelgroep en je taalgebruik aan, en vervang de woorden tussen haken. Laat de standaardformulering van de NPS-vraag zo veel mogelijk intact, zodat je je score met eerdere metingen kunt vergelijken. Test de aangepaste vragenlijst daarna met een paar mensen uit de doelgroep.
Gerelateerd onderzoek
Enquêteonderzoek
Een enquêteonderzoek is kwantitatief onderzoek waarin een steekproef uit je doelgroep dezelfde gestandaardiseerde…
Lees →Klanttevredenheid & NPS
Een klanttevredenheidsonderzoek meet hoe klanten je product, service en contactmomenten beoordelen, meestal met NPS…
Lees →Concept- en producttest
Een concepttest is een onderzoek waarin je doelgroep een nieuw product-, verpakkings- of naamidee beoordeelt voordat je…
Lees →